Losse2018-12-06T08:59:31+00:00

De losse is de allereerste echte haaksteek die je bij bijna alle projecten maakt. Het is ook de steek die je maakt als je vingerhaakt. Om een losse te maken sla je de draad om de naald en trekt deze door het lusje om de naald heen.

Veel patronen beginnen met een ketting van lossen. Ook om ‘hoogte’ te creëren als je aan een nieuwe rij begint, worden vaak lossen gebruikt. Het is een noodzakelijke steek om te kunnen en gelukkig heel eenvoudig. In patronen wordt deze steek afgekort tot ‘l.’, bijvoorbeeld ‘maak een ketting van 36 l.’

DSC_0009

Je maakt eerst een schuiflus in de draad, steekt daar je naald doorheen, slaat de draad van achter naar voren over je haaknaald en haalt deze door de lus. Je hebt nu één losse gemaakt.

In het Engels wordt deze steek ‘chain’ genoemd, afgekort met ‘ch’.

Uitleg

Begin met een schuiflus.

Losse stap 1

Sla de draad om je haaknaald heen. Iedereen heeft daar zo z’n eigen methode voor. Zorg ervoor dat de lange draad strak staat en dat je de schuiflus ook vasthoudt. Het begin van haken is altijd wat gepriegel omdat je nog zo weinig hebt om aan vast te houden. Dit komt vanzelf goed, het wordt écht makkelijker!

Losse stap 2

Trek nu de draad door de schuiflus heen. Je hebt nu één losse gemaakt!

Losse stap 3

Lossenketting

Projecten beginnen vaak met een ketting van een x-aantal lossen. Wanneer je bijvoorbeeld het geweldige beginnersproject de Granny Stripe Deken maakt, begin je met een ketting van 200 lossen. Gelijk een goed begin voor het oefenen van je lossen dus. Tel tijdens het maken van de lossen én tel naderhand nog een keertje na of je echt het goede aantal gemaakt hebt. Dat lijkt nu veel werk, maar het is veel vervelender en meer werk als je straks een (aantal) toer(en) uit moet trekken.

Zoals je op de tekening hieronder kunt zien, vormen lossen een soort van V-tjes. Eén zo’n V-tje telt als 1 losse. Het lusje op de naald telt nooit mee, maar de schuiflus wel, zoals je ziet.

Lossenketting - uitleg

Hoogte en basis

Lossen worden voor de lossenketting gebruikt, maar ook om hoogte te geven aan het begin van je toer. Deze laatste categorie lossen noem je ook wel keerlossen. Het aantal benodigde keerlossen is afhankelijk van de steek die je gaat gebruiken in die toer. Voor een vaste heb je één losse nodig, voor een halfstokje 2, voor een stokje 3 en voor een dubbelstokje 4. Deze keerlossen staan vrijwel altijd duidelijk in het patroon vermeld.

Haken in de lossen(ketting)

Wanneer je vervolgens je steken gaat maken, is het belangrijk dat je goed insteekt in de lossenketting. Je ziet als je goed naar een losse kijkt eigenlijk 3 lusjes per steek: de twee pootjes van de V en nog een lusje achter de steek. Als je ín de lossenketting haakt, steek je de naald onder zowel één van de V-lusjes, als onder het achterliggende lusje.

 

Leave A Comment